słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

zwierzę po niderlandzku:

1. dier dier


Een hond is een trouw dier.
Een leeuw is een dier.
Hoe noem je dit dier in het Japans?
De egel is een klein dier.
Elk dier houdt van zijn nest.
De mens is een rationeel dier.
De mens is het enige dier dat gebruik maakt van vuur.
Het wapen van deze stad bevat een dier met rode klauwen, dat ik niet ken.
Dit dier is erg intelligent.
De mens is het enige dier dat in staat is te spreken.
Wat voor dier is een rund?
De mens is het enige dier dat lacht.

2. dieren dieren


Wij zijn anders dan dieren omdat wij kunnen spreken.
Hij houdt van dieren.
De twaalf dieren van de Chinese dierenriem komen van elf diersoorten die in de natuur voorkomen, met name de rat, os, tijger, konijn, slang, paard, aap, haan, hond en varken, en ook de legendarische draak; ze worden als kalender gebruikt.
Mensen, honden, vissen en vogels, allemaal zijn het dieren.
Denk je dat dieren een ziel hebben?
Er zijn veel dieren in het park.
Lucy droomt ervan, dierenarts te worden en dieren te behandelen.
Alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn gelijker dan andere.
We kunnen wilde dieren zien liggen in het gras.
Dieren wonen in het bos.
Op veel gebieden kunnen dieren dingen beter doen dan mensen.
Laat de dieren uit de kooi vrij.
Enkele mensen hebben zeldzame dieren als huisdier.
Welke dieren zijn het meest geschikt als huisdier voor kinderen?
Dieren handelen volgens hun instinct.

Niderlandzkie słowo "zwierzę" (dieren) występuje w zestawach:

przyroda- natuur