słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

ptak po niderlandzku:

1. vogel vogel


De vleugel van de vogel was gebroken.
Welke vogel is dat?
Een vogel heeft vleugels.
Het meisje liet de vogel ontsnappen.
Elke vogel zingt zoals hij gebekt is.
Tux is een antarctische vogel.
Een vliegende vogel heeft altijd meer dan een zittende.
Geef de vogel voer!
Een vogel kent men aan de vlucht, en een mens aan de daden.
Ziet ge de vogel op de telefoonleiding?
Een verstandige vogel kiest zijn boom. Een wijze dienaar kiest zijn meester.
Een roos is een bloem, en een duif is een vogel.
Het geschreeuw van de vogel verbrak de stilte van het bos.
Als ik een vogel was, zou ik naar jou toe vliegen.
Ik droomde dat ik een vogel was.

2. de vogel de vogel



Niderlandzkie słowo "ptak" (de vogel) występuje w zestawach:

Nederlands - podstawy 4