słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

małpa po niderlandzku:

1. aap aap


Hé, kijk, een driekoppige aap!
Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.
Ik praat niet tegen jou, maar tegen de aap.
De twaalf dieren van de Chinese dierenriem komen van elf diersoorten die in de natuur voorkomen, met name de rat, os, tijger, konijn, slang, paard, aap, haan, hond en varken, en ook de legendarische draak; ze worden als kalender gebruikt.
Aap wat heb je mooie jongen.
Mijn aap is weggelopen!
Een aap beklimt een hoge boom.

2. de aap de aap



Niderlandzkie słowo "małpa" (de aap) występuje w zestawach:

svet lekcja 3