słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

być po niderlandzku:

1. zijn zijn


Kersen zijn rood.
Als we thuis ruzie hebben, kiest mijn man niet mijn kant maar altijd die van zijn moeder.
Geachte passagiers! Indien u het vervoermiddel betreedt zonder in het bezit te zijn van een geldig abonnement, stempel dan uw plaatsbewijs af vóór de volgende halte.
Stel alleen vragen die zijn te beantwoorden met "ja" of "nee".
Later, in zijn hotelkamer, dacht hij aan haar, aan dat ze hem morgen waarschijnlijk zou ontmoeten.
Zaterdag zijn we naar de film geweest en daarna naar het restaurant.
Een man is op zijn veertigste en op zijn vijftigste nog steeds een jochie.
Tickets zijn geldig voor twee dagen, inclusief de dag waarop ze zijn aangekocht.
In een vuilcontainer slapen, hmm? vroeg Al-Sayib. "Dat zal wel een stinkende gewaarwording geweest zijn."
De olie maakte de vloer glad en veroorzaakte zijn plotse val.
Vandaag 27 november, om vier uur in de namiddag, zijn er 51271 zinnen in het Esperanto op Tatoeba.
Iedereen kan een verschil maken in zijn eigen leven en daarmee gezamenlijk de wereld een betere plaats maken voor zichzelf en anderen om zich heen.
Je mag schrijven in welke taal je maar wilt. Hier op Tatoeba zijn alle talen gelijk.
Zijn moeder stelde voor om de versleten broek te verstellen, maar hij vond die gaten op zijn knieën wel cool.
Vind je niet dat de belastingen in Japan te hoog zijn?

Niderlandzkie słowo "być" (zijn) występuje w zestawach:

500 czasowników po niderlandzku 251 - 300
Podstawowe zwroty i wyrażenia
Czasowniki niderlandzkie 1
Czynności - De handelingen
Podstawowe zwroty