słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

deser po niderlandzku:

1. dessert dessert


Een uitstekend dessert sloot de maaltijd af.
Terwijl we het dessert proefden, groeide ons verlangen om dat land te bezoeken.
Welk dessert moet hij eten?

Niderlandzkie słowo "deser" (dessert) występuje w zestawach:

pawlikowska jedzenie

2. toetje toetje


Als je binnen drie minuten je bord niet leeg hebt, krijg je geen toetje.
Als toetje hebben we vandaag yoghurt met stukjes aardbei en banaan.

Niderlandzkie słowo "deser" (toetje) występuje w zestawach:

słownik rozdział 5

3. het nagerecht het nagerecht



4. het toetje het toetje



5. nagerecht nagerecht


Appels werden als nagerecht geserveerd.

Niderlandzkie słowo "deser" (nagerecht) występuje w zestawach:

Holenderskie słówka II

6. het nagerecht de dessert het nagerecht de dessert