słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

gałąź po niderlandzku:

1. taak taak


Kleren wassen is mijn taak.
Het is zijn taak onkruid te wieden in de tuin.
Ik zal deze taak volbrengen.
Ze denken dat hij niet geschikt is voor deze taak.
De taak is zo goed als afgewerkt.
Mijn eerste taak was om er ongekwalificeerde sollicitanten uit te halen.
Hij vervulde de taak op eigen krachten.
De taak verbruikte al zijn energie.
Uiteindelijk moest hij de taak overnemen.
De taak is zo moeilijk dat ik ze niet kan volbrengen.
Hij kon de taak aan.
Ze hebben ons deze taak opgelegd.
Hij heeft mij een nieuwe taak toebedeeld.
Uw taak was erg moeilijk.

Niderlandzkie słowo "gałąź" (taak) występuje w zestawach:

słówka - kurs podstawowy
Nowa książka

2. de tak de tak



Niderlandzkie słowo "gałąź" (de tak) występuje w zestawach:

Słówka różne 11