słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

radość po niderlandzku:

1. vreugde vreugde


Zijn ogen blonken van vreugde.
Visite brengt steeds vreugde aan; is 't niet bij het komen, dan bij het gaan.

2. genieten


We hopen dat je van de voorstelling zult genieten.
Laten we genieten van de lange vakantie!
Vergeet het verleden. Vergeleken met gisteren, verkies ik vandaag. 't Is daarom dat ik probeer te genieten van het moment, dat is alles.

3. de vreugde



4. blijheid


Vrijheid, blijheid.

Niderlandzkie słowo "radość" (blijheid) występuje w zestawach:

de samenleving