słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

rzadko po niderlandzku:

1. zelden


Haastige spoed is zelden goed.
Een ongeluk komt zelden alleen.
Ik hoor zelden van hem.
Ze is zelden te laat op een afspraak.
Hij schrijft zelden naar zijn ouders.
Een snel huwelijk is zelden geslaagd.
Onze koters zijn altijd de hort op - in de speeltuin, bij vriendjes, op het schoolplein... Zelden spelen ze gewoon thuis.
Nancy glimlacht zelden.
Zulke aardige mensen als jou kom je maar zelden tegen.
Ik ben zelden verkouden.
Ah, nu herinner ik het mij. Ik gebruikte een condoom; iets dat ik zelden, of juister gezegd bijna nooit doe.
Italianen praten zelden over politiek.

Niderlandzkie słowo "rzadko" (zelden) występuje w zestawach:

Przysłówki i partykuły niderlandzkie cz.1
słówka zo gezegd 1 i 2