słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

sześć po niderlandzku:

1. zes


Mijn broer is zes jaar oud.
Dit huis heeft zes kamers.
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien.
Ze waren al zes maand aan het oefenen in hun garage, toen ze plots de kans kregen een geluidsopname te maken in een studio.
God schiep deze wereld in zes dagen.
Toen zij in Los Angeles was, had ze minstens zes verschillende baantjes.
Ik had zes maanden geleden een keizersnede.
Om het even wanneer, als het maar na zes uur is.
Ik heb zo'n zes ooms en ongeveer net zoveel tantes.
Mijn trein vertrekt om zes uur en komt daar aan om tien uur.
Na zes maanden in China zul je je realiseren dat je spijt hebt dat je die pizza niet hebt aangenomen voordat je vertrok.
Dat is waanzinnig! Jouw moeder spreekt zes talen?
Binnen zes maanden verlaat ze het land.
Is zes uur goed voor u?
Er waren zes kinderen in het gezin Evans.

Niderlandzkie słowo "sześć" (zes) występuje w zestawach:

Lekcja 2 niderlandzki LICZBY
Dutch numbers