słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

żonaty po niderlandzku:

1. getrouwd


Ik ben getrouwd.
Ze is getrouwd aan zeventien jaar.
Flirt niet met haar. Zij is getrouwd.
Houd voordat je trouwt je ogen goed open. Knijp nadat je getrouwd bent een oogje toe.
Hun oudste dochter is nog niet getrouwd.
Kort gezegd, hij is getrouwd met zijn eerste liefde.
Ik vraag mij af of ze getrouwd is.
De collega die getrouwd is met een Fransman, is naar Parijs.
Hij heeft drie dochters; een ervan is getrouwd, de anderen niet.
Zij is op 10 juni dit jaar zes jaar getrouwd.
Hoewel hij niet getrouwd was, had hij een kind.
Afgaand op hoe ze spraken, veronderstelde ik dat ze getrouwd waren.
Haar oudere zus is afgelopen maand getrouwd.
Hoe wist ge dat hij getrouwd is?
Toen ze twintig jaar was, is ze met hem getrouwd.