słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

hałas po niderlandzku:

1. het lawaai het lawaai



2. lawaai lawaai


Maak geen lawaai.
Dat lawaai werkt op mijn zenuwen.
We kunnen niet slapen vanwege het lawaai.
Maak alstublieft niet zoveel lawaai.
Het lawaai wordt steeds harder en harder.
Toen hij het lawaai hoorde begon mijn broer te huilen.
In het midden is het ijs mooi donker en glad, maar langs de rand van de wetering ligt bomijs. Als je daarop gaat staan, breekt het en hoor je een boel lawaai.
Hij heeft geklaagd over het lawaai.
Ik kan dat lawaai niet verdragen.
De vogels vlogen weg vanwege het lawaai daarvan.
Het lawaai wordt al maar luider.
Het lawaai was snel onder controle.
Ik had geen zin om te studeren, daar het lawaai buiten op mijn zenuwen werkte.

Niderlandzkie słowo "hałas" (lawaai) występuje w zestawach:

słówka zo gezegd 1 i 2

3. ruis ruis



4. gewauwel gewauwel



Niderlandzkie słowo "hałas" (gewauwel) występuje w zestawach:

niderlandzki pozostałe

5. het luid



Niderlandzkie słowo "hałas" (het luid) występuje w zestawach:

Usłyszane 105 14.11.19

6. de ruis



Niderlandzkie słowo "hałas" (de ruis) występuje w zestawach:

naar sterren luisteren

7. de lawaai