słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

hałas po niderlandzku:

1. het lawaai het lawaai



2. ruis ruis



3. lawaai lawaai


Het lawaai wordt steeds harder en harder.
Maak alstublieft niet zoveel lawaai.
We kunnen niet slapen vanwege het lawaai.
Dat lawaai werkt op mijn zenuwen.
Maak geen lawaai.
Ik had geen zin om te studeren, daar het lawaai buiten op mijn zenuwen werkte.
Het lawaai was snel onder controle.
Het lawaai wordt al maar luider.
De vogels vlogen weg vanwege het lawaai daarvan.
Ik kan dat lawaai niet verdragen.
Hij heeft geklaagd over het lawaai.
In het midden is het ijs mooi donker en glad, maar langs de rand van de wetering ligt bomijs. Als je daarop gaat staan, breekt het en hoor je een boel lawaai.
Toen hij het lawaai hoorde begon mijn broer te huilen.

Niderlandzkie słowo "hałas" (lawaai) występuje w zestawach:

słówka zo gezegd 1 i 2