słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

obecnie po niderlandzku:

1. momenteel momenteel


Tom kijkt momenteel geen tv.
Veel mensen willen momenteel hun huis verkopen.

2. nauwelijks nauwelijks


Ik heb nauwelijks iets gezien.
Ik kan u nauwelijks horen.
Nederland heeft helemaal geen bergen en het heeft nauwelijks heuvels 2 Ze waren nauwelijks thuis of ze begon weer ruzie te maken
Hij kent haar nauwelijks
Het regent nauwelijks.
Hij hangt maar de redenaar uit, maar raakt nauwelijks de onderwerpen aan die belang hebben voor het examen.
De sneltrein reed zo snel voorbij, dat we hem nauwelijks zagen.
We hebben nauwelijks genoeg tijd om te ontbijten.
Hij kan nauwelijks zijn naam schrijven.
Hij werd zo arm geboren dat hij nauwelijks naar school geweest is.
Ik kan zijn verhaal nauwelijks geloven.
Hij bezit nauwelijks 100 dollar.
Ik heb nauwelijks nog wat geld over.
Haar moeder had haar nauwelijks opgemerkt, of ze schreeuwde haar toe: "Wel, mijn kind?"

3. huidig


tot op de huidige dag; onder de huidige omstandigheiden